De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Ga naar beneden

De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op di okt 09, 2007 11:11 pm

Ik zal binnenkort beginnen met het posten van hoofdstukken uit een bewerking voor de jeugd van deze oeroude geschiedenis uit het Bhâgavata Purâna!!!Wink

De wonderbaarlijke geschiedenis van Krishna en Balarâma vertellen we hier voor kinderen vanaf de leeftijd van acht ŕ negen jaar. Veel hindoekinderen zijn met belangrijke episoden van deze geschiedenis bekend, zoals veel westerse kinderen bekend zijn met verhalen uit de Bijbel. Het is ook voor hindoekinderen dat we dit lees- en voorleesboek gemaakt hebben, in de hoop hun steun te bieden bij de ontwikkeling van hun geestelijk bewustzijn. Voor hen zal dit boek voor een deel een blije herkenning zijn. Niet-hindoe-kinderen echter zullen voor de ontwikkeling van hůn geestelijk gevoel uit deze geschiedenis een berg inspiratie kunnen putten. Het speciale van dit verhaal is dat God zelf als mensenkind op aarde komt rondspelen en dat hij niet alleen is, maar een hele familie heeft, waarmee hij vrolijk omgaat. Hij is zo aantrekkelijk - dat is wat zijn naam Krishna beteken - dat hij (bijna) iedereen voor zich wint. Net zo aantrekkelijk is zijn 'oudere broer' Balarâma, de sterkste jongen van het dorp en de rest van de wereld. Door naar hun geschiedenis te luisteren, raken kinderen makkelijk door de heldendaden en kwajongensstreken van Krishna en Balarâma bekoord. In die prille bekoring kan de kiem liggen voor een positieve geestelijke groei, uiteindelijk naar zuivere liefde tot God.
Laten we onze kinderen het beste en mooiste geven dat er voor ze bestaat. Daarbij hoort beslist de wonderbaarlijke geschiedenis van Krishna en Balarâma.
Krishna, de Aantrekkelijke, is zo mooi dat alle meisjes van het dorp verliefd op hem zijn. Alle moeders en vaders zijn dol op hem. En alle jongens, broer Balarâma voorop, bewonderen hem om zijn heldhaftige gevechten met vreselijke monsters. Die worden op hem afgestuurd door de duivelse koning Kamsa. Kamsa weet dat Krishna God is, die op aarde is neergedaald om hem onschadelijk te maken. Daarom is hij als de dood voor hem.
Behalve als angstaanjagende werkelijkheid kunnen de monsters ook worden gezien als struikelblokken op de weg naar God. Elk struikelblok heeft zijn eigen karakter. We geven er hier een uitleg van.
1. De reuzenheks is de valse leraar, die de leerling vergift in plaats van nectar geeft.
2. De volgeladen kar vertegenwoordigt de volgepropte hersens van iemand die denkt dat hij alles al weet.
3. De windhoos is de geest van iemand die altijd meteen zo veel tegenwerpingen maakt dat er niets tot hem kan doordringen.
4. Het kalf is de domheid van een jonge leerling die zich niets van de aanwijzingen van de leraar aantrekt.
5. Het lijkt of de kraanvogel als een yogî staat te mediteren … ja, op een lekker visje! Daarom vertegenwoordigt hij de schijnheiligheid.
6. Het slangenmonster vertegenwoordigt de afwezigheid van welwillendheid tegenover onze medeschepselen.
7. De schepper, die Krishna's kalveren en vrienden steelt, is het toonbeeld van iemand van groot intellectueel vermogen die denkt dat hij slimmer is dan God.
8. De ezel vertegenwoordigt de mentaliteit van iemand die niets van de heilige kennis begrijpt en anderen ervan afhoudt.
9. De veelkoppige waterslang vertegenwoordigt kwaaie hardheid tegenover de toegewijden.
10. De bosbrand is de onderlinge twist tussen leerlingen, die de eenheid verstoort.
11. De loggerik is de mentaliteit van iemand die de onaantastbaarheid van God ontkent en hem uit de weg probeert te ruimen om nergens door gestoord in het geestelijk licht te kunnen opgaan.
12. Verering van een halfgod als Indra is het struikelblok van het verlangen naar aardse rijkdom.
13. Nanda's bad in de nachtelijke rivier is als het wegzinken in de roes van bedwelmende middelen.
14. Nanda in de muil van de python vertegenwoordigt het struikelblok van het verlangen te versmelten met het voorwerp van onze aanbidding.
15. De rover van de herderinnen vertegenwoordigt het najagen van werelds genot onder het mom van geestelijke liefde.
16. De stier is als de leerling die de geestelijke leefregels vertrapt, een olifant in de porseleinkast.
17. Het reuzenpaard is als de leerling die snel enige vorderingen maakt en dan over zijn leraar heen probeert te lopen.
18. De magiër Vyoma vertegenwoordigt oneerlijkheid en diefachtigheid. Menig ander ondier of onmens treedt in deze geschiedenis op als tweede of derde voorbeeld van een bepaald struikelblok of vertegenwoordigt een aantal struikelblokken tegelijk.
Het dorp van Krishna en Balarâma, Vrindâvana, is het paradijs op aarde. De dorpelingen zijn grotendeels met Krishna en zijn broer uit de geestelijke wereld neergedaald. Met de broers tezamen in hun dorp laten ze zien hoe geweldig het is met God samen te zijn. Hoe spannend, hoe mooi, hoe vrolijk en hoe gelukkig. Als ieder van ons een van Krishna's metgezellen tot voorbeeld neemt, zijn moeder, zijn vader, een vriend van hem of een van de verliefde koeherdersmeisjes, kunnen we in de geest van ons voorbeeld groeien in liefde tot God. Uiteindelijk, in een volgend bestaan, zullen dan ook wij bij Krishna en zijn metgezellen kunnen komen en spelend met hen door de eeuwigheid gaan. Dat vooruitzicht maakt ons leven op aarde al zo gelukkig dat we daardoor een licht voor onze medemensen kunnen zijn.
Velen hebben ons geholpen en aangemoedigd bij de totstandkoming van dit boek. We zijn iedereen daarvoor heel dankbaar. We danken in het bijzonder Marjan Smit voor haar waardevolle redactionele adviezen; onze geestelijke broeder S'rîmân Arjuna dâsa voor zijn correctie van het manuscript; onze geestelijke zuster S'rîmatî Vrindâvana Vilâsinî devî-dâsî alsook S'rîman Bhâminî S'arana en S'rîmân Jaya Bihârî S'arana, alle drie te Vrindâvana, voor hun speurtocht naar de klassieke, met de hand geknipte sjabloon-illustraties uit Krishna's geboortestad Mathurâ waarmee ons boek is verlucht; en de jonge Rűpa (8) voor zijn speciale assistentie.

Krishna's verjaardag, 25 augustus 1997
Amsterdam, S'rî Caitanya Gemeenschap
Hayes'vara dâsa en Premalatâ devî-dâsî
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op di okt 09, 2007 11:11 pm

1












De Grote Tovenaar


<BLOCKQUOTE>
</BLOCKQUOTE>
Wanneer het niet zo goed gaat met de wereld, stuurt God soms een redder. De ene keer stuurt hij een profeet, zoals Mohammed. De andere keer stuurt hij een zoon, zoals Jezus. En de hindoes zeggen dat hij soms zelf komt. Of denk je dat hij zelf niet komen kan? God kan alles. Hij heeft het hele heelal gemaakt, de sterren, de zon en de maan. Hij heeft de planten, de dieren en de mensen gemaakt en ook de goden. Hij is de Grote Tovenaar. Hij hoeft maar ergens aan te denken en het bestaat. Hij hoeft maar te zuchten en er loopt een nieuw soort beest rond. Hij hoeft maar met zijn vingers te knippen en de woestijn verandert in een oerwoud. Hij is almachtig.
Wat hij ook kan is zelf van vorm veranderen. Of zichzelf vermenigvuldigen. Hij kan eruit zien zoals hij wil: als man, als vrouw, als kind, als dier, als berg, als rivier, als een hele kudde kalveren, als een onafzienbare zee van zuiver licht. Maar hij heeft ook zijn eigen gedaante en zijn eigen naam. Die naam is Vishnu. Dat betekent: de Allergrootste.
Zijn gedaante lijkt op het lichaam van een mens maar heeft vier armen. Als je dat vreemd vindt, denk dan maar dat er op onze aarde ook wezens zijn met meer ledematen. Vlinders en libellen met hun zes poten en hun vier vleugels. Inktvissen met hun acht armen. Spinnen met hun acht poten. Dat vindt niemand vreemd. De Grote Tovenaar heeft deze schepselen gemaakt. Dus waarom zou hij ook niet zichzelf een paar extra armen kunnen geven? Eén ding van hem is voor ons mensen čcht vreemd. Dat is dat hij geen ouders heeft. Alle mensen en dieren hebben ouders. Maar Vishnu heeft geen vader en geen moeder. Hij is nooit geboren. Hij is er altijd geweest. En hij zal er altijd zijn. Dat is een van de meest bijzondere dingen van God. Alle christenen, moslims en hindoes zijn het daarover eens.
Hoewel Vishnu geen ouders heeft, heeft hij wel een vrouw. Ze heet Lakshmî. Die naam betekent: Geluk of Rijkdom. Ook Lakshmî heeft geen vader en moeder zoals wij mensen. Ook zij zal er altijd zijn. Vishnu en Lakshmî zijn eeuwig samen. Ze zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden: als God en Godin. In de Bijbel van de christenen en in de Koran van de moslims lees je daar niet over. Die hebben hun eigen mooie verhalen over God. Maar in de Veda's en de Purâna's wordt er in geuren en kleuren over Lakshmî en Vishnu verteld. De Veda's en de Purâna's zijn de heilige boeken van de hindoes. Ze behoren tot de oudste geschreven teksten van de wereld.
In zijn vier handen draagt Vishnu vier voorwerpen. Een rijk versierde knots. Een bloeiende lotusbloem. Een vlammende werpschijf. En een schelp of kinkhoorn. Deze vier voorwerpen geven zijn grootheid aan. De knots betekent dat hij Heer en Meester is van het heelal. De lotus betekent dat zijn hart vol zoete liefde is. De werpschijf is het wapen waarmee hij het kwaad in de wereld vernietigt. En de schelp of kinkhoorn - als hij daar op blaast, heerst er overal vrede.
We hebben gezegd dat Lakshmî en Vishnu eeuwig zijn. Je zou denken dat ze dan ook krom en gerimpeld moeten zijn. Maar dat is niet waar. Ze zien er altijd uit alsof ze niet ouder zijn dan zeventien of achttien jaar. 'Eeuwige jeugd' noemen we dat. Voor ons is dat een wonder. Een ander wonder van Vishnu is dat er in hem vele andere goddelijke personen wonen. Al die personen zijn aan hem gelijk. Maar veel zien er anders uit dan hij. Als een van zulke personen daalt hij soms op aarde neer. De twee beroemdste heten Krishna en Râma. Het zijn de helden van alle hindoes. Ze hebben allebei hun eigen verhaal, dat in verzen gezongen wordt. Het verhaal van Râma staat in het Râmâyana: vierentwintigduizend verzen. Het verhaal van Krishna staat in het Mahâbhârata, het dikste boek van de hele wereld: honderdduizend verzen. Het staat ook in een kleiner boek, van achttienduizend verzen: het beroemde Bhâgavata Purâna. Daarin kun je ook lezen dat het eigenlijk Krishna is die God Zelf is. Het Bhâgavata Purâna is voor miljoenen hindoes wat de Bijbel voor de christenen is en de Koran voor de moslims.
In dit boek, hier, vertellen we het verhaal van Krishna zoals het in het Bhâgavata Purâna staat. We zullen vertellen hoe Vishnu als Krishna op aarde verscheen. Hoe hij als kind ter wereld kwam en onder koeherders opgroeide. Hoe hij met de herdersjongens en -meisjes speelde en streken uithaalde. Hoe hij met monsters en machtige magiërs vocht. Hoe hij een berg optilde. En hoe hij de duivelse koning Kamsa en zijn bondgenoten versloeg. Dat zullen we allemaal vertellen - en nog veel meer!
<BLOCKQUOTE>Van Vishnu zingen we dit lied:
God zelf, die als een herderskind
In 't oude India verscheen.
Geen kind dat het niet prachtig vindt.
</BLOCKQUOTE>
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op di okt 09, 2007 11:14 pm

2












Een Huilende Koe



<BLOCKQUOTE>De aarde is een levend wezen. Ze heeft geen armen en benen, maar dat heeft een slang ook niet. Ze heeft geen ogen en geen mond, maar dat heeft een pompoen ook niet. Maar zoals een slang en een pompoen toch leven, leeft de aarde ook. De mensen, de dieren en de planten wonen op de huid van de aarde zoals er mijten en microben op onze huid wonen. Hele kleine wezentjes die je met het blote oog niet kunt zien. Soms zitten er van een bepaalde soort opeens te veel op je vel. Als dat een kwaaie soort is, krijg je een huidziekte. Meer dan vijftig eeuwen geleden had Moeder Aarde zo'n huidziekte. Er zaten te veel kwaaie mensen op haar vel. Het waren duivelse vorsten met oppermachtige legers. Moeder Aarde voelde zich er akelig van. Ze zag maar één mogelijkheid om ervan af te komen. Als Vishnu haar te hulp zou kunnen komen, zou ze weer gezond verder kunnen leven.
Moeder Aarde bezit vele wondervermogens. Een ervan is dat ze net als Vishnu van vorm kan veranderen. Bijvoorbeeld in een smetteloos witte koe. Als zo'n koe kan ze dan over haar eigen huid heen en weer lopen: over de aarde. En als zo'n koe kan ze haar eigen aarde-gras grazen.
Toen de duivelse vorsten haar huid bezeerden, veranderde Moeder Aarde zich in een sneeuwwitte koe. Droevig loeiend hief ze haar kop op. Niet naar Vishnu, want God was te ver weg. Ze hief haar kop op naar Brahmâ. Brahmâ is de onderkoning van het heelal. Hij heeft vier armen en ook vier hoofden. In opdracht van Vishnu heeft hij de hele wereld geschapen. Hij woont boven in de kosmos op een hemellichaam in de vorm van een lotusbloem. Met onze mensenogen kunnen we hem niet zien. Maar Moeder Aarde, die geen mens is maar een godin, zag hem heel goed. Loeiend deed ze bij Brahmâ haar beklag. Meteen nam Brahmâ haar mee naar de kust van de Melkzee. De andere goden kwamen in een stoet achter hen aan: S'iva, Ganes'a, Indra, Nârada, Varuna, Kuvera en hoe ze allemaal ook mogen heten. Honderden, duizenden goden en andere hemelbewoners volgden de schepper met zijn vier hoofden en Moeder Aarde in de gedaante van een witte koe. Het was een wonderlijke stoet …
Aan de kust van de Melkzee bleven ze allemaal staan. De Melkzee is een eindeloze plas van licht, waarin Vishnu en Lakshmî wonen. Vishnu ligt languit op zijn rug op een reusachtige slang, die languit op zijn rug in de Melkzee drijft. Vishnu ligt dus op de slangenbuik, die wit is en zacht als fluweel. De slang heeft honderden koppen. Al die koppen houdt hij als een parasol over Vishnu en Lakshmî heen. Lakshmî zit op de fluwelen slangenbuik aan Vishnu's voeten. Ze masseert ze met haar vier handen.
De naam van de slang is Ananta. Dat betekent: Eindeloze. Je zult wel begrijpen dat hij geen gifslang is. Hij is een honingslang. Uit zijn monden komt geen gif maar honing. Zijn honderden koppen vertellen in alle eeuwigheid honingzoete verhalen over Vishnu. En geen twee koppen zeggen hetzelfde: zo veel verrukkelijks is er over God te vertellen. En God maar zalig liggen luisteren naar al die prachtige verhalen over hem. Als we alles zouden proberen op te schrijven wat Ananta's koppen over Vishnu hebben te zeggen, zouden we aan al het papier van de wereld niet genoeg hebben.
We hebben al verteld dat Vishnu in zichzelf vele vormen van God meedraagt; en dat een aantal van ze er anders uitziet dan hij. De slang Ananta is er één van. Ananta is even goddelijk als Vishnu zelf. God kan eruit zien zoals hij wil. Hij is almachtig.
Moeder Aarde en de goden konden Vishnu, Lakshmî en Ananta niet zien. Alleen Brahmâ de schepper zag God. Eerst aanbad hij hem, samen met de anderen. Toen bracht hij hem de klacht over van Moeder Aarde, die haar droevig loeien even staakte. Vishnu weet alles. Hij kent het verste verleden, hij kent het heden en hij kent de verste toekomst. Als je dat vreemd vindt, weet híj dat je dat vreemd vindt. Hij is immers alwetend. Hij wist dus ook dat Moeder Aarde last van haar huid had. Dat kwade vorsten er met hun reusachtige legers over rondrosten en de gewone goede mensen onderdrukten. Maar Vishnu liet Brahmâ helemaal uitspreken, alsof hij nergens van afwist. Dat was zijn goddelijke spel.
Toen de schepper was uitgesproken zei Vishnu: 'Luister. Heer Ananta en ikzelf zullen naar de aarde komen. Maar niet zoals we er nu uitzien. We zullen op aarde verschijnen in de gedaante van gewone mensenkinderen. We zullen ervoor zorgen dat we samen geboren worden in de koninklijke familie Yadu. 'En niet alleen wij tweeën zullen komen. Ook Yogamâyâ, mijn wonderkracht, zal neerdalen. Zij komt in de gedaante van een meisje. 'Ook jullie goden zullen in de familie Yadu op aarde geboren worden. Čn de godinnen. Daal allemaal neer. Met elkaar zullen we de aarde redden van het gespuis.'
<BLOCKQUOTE>Toen Vishnu zo gesproken had
Dankte de witte koe de Heer.
Ze liet de Melkzee achter zich
En was de ronde aarde weer.
</BLOCKQUOTE></BLOCKQUOTE>
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op di okt 09, 2007 11:15 pm

3












De Stem uit de Hemel



<BLOCKQUOTE>Het was goed gezien van Vishnu om in de familie Yadu te verschijnen. Want daar zat hij meteen bij de ergste van alle schurken: Kamsa, de zoon van de goede koning Ugrasena van Mathurâ. De naam Kamsa betekent: Staal-hard. Op een dag was er een bruiloft in de familie. Kamsa's nichtje Devakî trouwde met prins Vasudeva. Devakî betekent: Stralende. En Vasudeva betekent: Zuivere. Hun karakter stemde volkomen met hun naam overeen. Kamsa was dol op zijn nichtje. Uit familieliefde wilde hij haar en Vasudeva na de bruiloft naar huis rijden. Ze zaten op een gouden wagen en hij hield de teugels al in de hand.
Devakî's vader gaf het bruidspaar vele geschenken. Vierhonderd olifanten met gouden halssnoeren. Achttienhonderd wagens. En tienduizend prachtig opgetuigde paarden. En er gingen tweehonderd mooie jonge dienaressen mee. Onder tromgeroffel en hoorngeschal mende Kamsa de gouden wagen uit de menigte. Toen ze te midden van gonzende hommels en zingende vogels door het open veld reden, klonk er uit de hemel opeens een stem, die donderend riep: 'Jij dwaas van een schurk! Luister goed! De achtste zoon van de bruid zal jou van het leven beroven!' Daarna was het stil. Kamsa schrok zo dat hij zijn liefde voor Devakî vergat. Hij greep haar bij het haar en trok zijn zwaard om haar te doden. Dan zou ze geen zonen kunnen krijgen die hem om het leven konden brengen. Maar hij wist niet dat Devakî's achtste zoon Vishnu zou zijn, God zelf. En dat Devakî niet gedood kon worden, omdat Vishnu haar beschermde.
De bruidegom was ongewapend. Hij begreep dat hij Kamsa alleen met vleiende woorden kon tegenhouden. 'Beste Kamsa', zei hij haastig. 'Je bent toch een grote held? Hoe kun je dan je eigen nichtje doden? Een zwakke jonge vrouw? En dat ook nog op haar bruiloftsdag? Dood gaan doen we vroeg of laat allemaal. Maar daarna worden we allemaal weer geboren. Dan krijgt de ziel, die we eigenlijk zijn, weer een nieuw leven. Maar als we in dit leven niet oppassen, krijgen we een leven dat we helemaal niet willen. Want het kwaad dat we nu anderen aandoen, doen anderen ňns dan aan. Leven we zuiver, dan worden we wedergeboren onder zuivere mensen. Of misschien mogen we wel naar God. Maar als we wreed zijn, zullen wij in ons volgende leven in handen van wreedaards vallen. Daarom moeten we anderen nooit leed aandoen. Anders zullen we na onze volgende geboorte steeds in angst moeten leven. Dit meisje hier, Devakî, is bijna nog een kind. Een held als jij moet haar niet doden maar juist beschermen!' Maar Kamsa hield zijn zwaard geheven. Snel zei Vasudeva: 'Die stem uit de hemel zei maar wat, beste neef. Hoe kan een jonge vrouw een held als jij nu in gevaar brengen!'
Hij dacht: 'Misschien krijgt ze niet eens kinderen. Of misschien is die schurk van een Kamsa al dood voordat ze haar eerste kind krijgt!' En hij zei: 'Ik beloof je, Kamsa, dat ik je elke zoon zal brengen die ze krijgt. Maar laat háár alsjeblieft in leven.'
Eindelijk liet Kamsa zijn zwaard zakken. Hij wist dat Vasudeva altijd zijn woord hield.
In de loop van de tijd liet Devakî het levenslicht zien aan acht zoons en een dochter. Meteen na de geboorte bracht Vasudeva de eerste jongen naar Kamsa, maar die zei: 'Neem maar weer mee. De ŕchtste jongen moet ik hebben. Die zou me toch doden?'
In die dagen daalde Nârada, de grote leraar van de goden, in Kamsa's koninklijke burcht Mathurâ neer. Hij liet de ellendeling weten dat Vishnu en alle goden als baby's in zijn familie geboren zouden worden. En dat niet alleen Kamsa gedood zou worden maar ook al zijn bondgenoten. Nârada was nog niet weg of Kamsa zette Devakî en Vasudeva gevangen. In zijn angst zag hij in ieder lid van de grote familie Yadu een god. En ieder kind van Devakî zag hij nu voor Vishnu aan. Hoe Devakî ook huilde, geen van haar zoons liet Kamsa in leven. Zodra er weer een geboren was, doorstak hij het kind. Zo dol van angst en gekheid was Kamsa dat hij zijn eigen vader opsloot: de goede koning Ugrasena, heer van alle Yadu's en van vele andere families. Zo greep de gruwelijkste van alle schurken de macht.
<BLOCKQUOTE>Hoe moet het met de mensen gaan
Wanneer de vorst een wreedaard is?
Dan wordt het tijd dat God verschijnt:
Als Redder in benauwenis.

</BLOCKQUOTE></BLOCKQUOTE>
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op di okt 09, 2007 11:16 pm

4












Vishnu daalt neer


Toen de boosaardige Kamsa de macht had gegrepen, vluchtten de mensen alle kanten op. De wreedaard sloot vriendschap met andere boosaardige koningen. Zo vergrootte hij zijn macht nog meer. Alleen een paar familieleden durfden bij hem te blijven. Ze hoopten dat ze hem voor nog meer kwaad zouden kunnen behoeden.
Nadat Kamsa het zesde zoontje van Devakî had vermoord schoot er een lichtstraal in haar hart. Het was Heer Ananta, de Slang van Vishnu uit de Melkzee. In Devakî's lichaam nam Ananta de vorm van een baby aan. Devakî's verdriet om de dood van haar jongens sloeg om in hoop. Ze was weer in verwachting! Zou dit kind in leven mogen blijven?
Toen Vishnu merkte hoe iedereen Kamsa vreesde, riep hij zijn wonderkracht te hulp. Deze wonderkracht heeft de vorm van een stralend mooie vrouw: Yoga-mâyâ. Die naam betekent: Goddelijke Betovering. 'Yogamâyâ', zei hij. 'Daal af naar de wereld. Ga naar Devakî en haal Ananta uit haar buik. Neem hem mee naar het dorp van Nanda de koeherder. En stop hem daar in de buik van Rohinî.'
Nu moet je weten dat een prins of koning in die tijd vaak meer dan één vrouw had. Vasudeva was niet alleen getrouwd met Devakî maar ook met Rohinî. En later kreeg hij nog meer vrouwen. Denk niet dat die vrouwen ruzie met elkaar maakten om Vasudeva. Juist niet. Ze waren de beste vriendinnen. Je zult wel begrijpen waarom Rohinî in het dorp van Nanda woonde. Omdat ze bang was dat Kamsa haar bij Vasudeva en Devakî in de gevangenis zou stoppen. Ze was uit de stad gevlucht, de rivier de Yamunâ over, en woonde nu bij Nanda en zijn jonge vrouw Yas'odâ.
Vishnu zei verder tegen Yogamâyâ: 'Wanneer je Ananta uit Devaki's buik hebt gehaald, ga ěk erěn. Dan denkt Kamsa dat ik Devakî's zevende zoon ben. Maar in werkelijkheid ben ik de achtste, die hem doden zal … En jij, Yogamâyâ, ga jij in de buik van Yas'odâ, de vrouw van Nanda de koeherder … Zo komen Ananta, jij en ik tegelijk op aarde.'
Vishnu zei ook nog: 'Wanneer jij eenmaal in de wereld bent verschenen, zullen de mensen je overal eren. Ze zullen je aanbidden als Durgâ en als Mâyâ en als Ambikâ. En nog veel meer namen zullen ze je geven.' En het is waar. Sinds Yogamâyâ op aarde kwam, eren miljoenen mensen haar met die namen. Ze vragen haar allemaal om haar gunst. En die geeft ze.
Toen Vishnu was uitgesproken, boog Yogamâyâ met gevouwen handen voor hem neer. 'Ik zal doen wat u me hebt opgedragen', beloofde ze. En ze daalde af naar de aarde. Daar bracht ze onmiddellijk de ongeboren Ananta uit Devakî's buik over in de buik van Rohinî. In Kamsa's paleis dacht iedereen dat Devakî een miskraam gekregen had. Dus dat haar kindje veel te vroeg geboren en daardoor gestorven was. De goede mensen onder de paleisbewoners hadden daarom verdriet …
Toen daalde Vishnu persoonlijk in de wereld neer. Hij ging binnen in het hart van Vasudeva. Die straalde plots als de zon. Zo licht was Vasudeva dat niemand hem kon aankijken. Daarop ging Vishnu uit Vasudeva's hart over in Devakî's hart. En ook Devakî straalde. Doordat ze in de gevangenis zat, bleef het licht daarbinnen verborgen.
Maar Kamsa zag het. In paniek dacht hij: 'Die Vishnu die me komt doden zit nu in haar buik! Kijk haar daar eens stralen en lachen! Zo heeft ze er nog nooit uitgezien! Oef! Wat moet ik bedenken? De tijd dringt. Zal ik haar doden? Nee! Een vrouw in verwachting dood je niet. Dat zou me mijn eer kosten. En mijn bezit. En ook mijn hoofd …'
Hoe wreed Kamsa ook was, hij liet Devakî in leven. Vol haat tegen het kind in haar buik, wachtte hij vol spanning op de geboorte. Of hij nu zat of lag of stond of ongeduldig heen en weer beende, onophoudelijk dacht de schurk aan Vishnu. Zo vol was hij van de Allerhoogste dat hij hem overal zag.
Eigenlijk is dat het mooiste wat iemand kan overkomen: dat hij God overal ziet. En dat hij daardoor overal door God beschermd wordt. Maar Kamsa was zo dom dat hij dat niet begreep. In plaats van blij te zijn dat hij Vishnu overal zag, was hij woedend en bang tegelijk. Intussen eerden alle goden God. Brahmâ, S'iva, Nârada en de anderen stroomden samen en prezen Vishnu, die alle wensen vervult. 'O Vishnu', zeiden ze. 'U bent niets dan zuiverheid. Het leven in de wereld is als een holle grauwe zee. Maar wie aan uw zuiverheid denkt, ziet die hele holle zee veranderen in een plasje. Een plasje zo klein dat het hoefje van een pasgeboren kalfje er net nog in past.
'Maar wie zegt dat hij die holle zee kan oversteken zonder uw hulp, komt nooit aan de overkant. Trotse mensen, die u niet eren, zullen in de wereld ten ondergaan. 'Nu daalt u zelf in de wereld neer. Zo laat u iedereen zien wie u bent. Zo leren de mensen u kennen en van u houden. En zo zullen ze u uit liefde gaan dienen. Wie eenmaal gezien heeft hoe mooi u bent, denkt nergens anders meer aan. Die gaat na zijn dood vanzelf naar uw Eeuwige Woning. Die wordt hier op aarde nooit wedergeboren.'
Lang leve Moeder Devakî!
Wie zit er in haar moederschoot?
Heer Vishnu, Meester van 't heelal!
Kamsa, pas op, daar komt je Dood!
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op di okt 09, 2007 11:17 pm

5












De Geboorte



<BLOCKQUOTE>Het was nacht. De hemel flonkerde van de sterren. De rivieren stroomden klaar en helder naar de zee. Poelen en vijvers stonden vol bloeiende lotussen. Een zacht windje woei hun geur overal rond. Het offervuur in ieder huis zond kalm zijn vlam in de hoogte.
Plotseling bonkten er trommen in de hemel. De goden begonnen te zingen. De godinnen en andere hemelvrouwen dansten. En de wijzen strooiden bloemblaadjes over de aarde neer. Als bij toverslag was alle angst voor de gruwelijke Kamsa verdwenen. Precies te middernacht verscheen uit moeder Devakî Heer Vishnu. Het was alsof uit donkere wolken in het Oosten plotseling de maan tevoorschijn kwam.
Een stralende jongen zag vader Vasudeva voor zich, met wonderzoete ogen en vier armen. In zijn vier handen droeg hij de knots, de kinkhoorn, de vlammende werpschijf en de witte lotus van God de Heer. Zijn lange golvende haar was diepzwart. Om zijn heupen glom een geelzijden doek. Hij droeg een blinkende gordel en gouden armbanden en oorhangers, met edelstenen bezet.
Toen Vasudeva zag dat God zelf zijn zoon was geworden, vielen zijn ogen bijna uit zijn hoofd van verbazing. En wat was hij blij! Als hij niet gevangen had gezeten, zou hij dadelijk tienduizend koeien aan de priesters van de stad hebben gegeven. Nu deed hij hun die koeien in gedachten cadeau.
'Ik zie u hier met mijn eigen ogen', stamelde de gelukkige vader. 'U bent hoog verheven boven deze wereld, die u zelf gemaakt hebt. En nu bent u in uw zelfgemaakte wereld geboren. Maar uw lichaam is niet van deze wereld. Het is niet van vlees en bloed zoals bij ons mensen. Uw lichaam is onstoffelijk. Om de wereld te redden bent u hier bij mij gekomen. O Heer van het heelal en van alle heelallen hierbuiten! Het zal u niet de minste moeite kosten om de roversbenden van die ellendige vorsten te vernietigen.'
'Toen Kamsa hoorde dat u mijn zoon zou worden, heeft hij in blinde woede al uw oudere broers gedood. Straks vertellen zijn wachters hem dat u verschenen bent. Dan komt hij aanstormen met zijn zwaard …'
Moeder Devakî begon haastig te bidden. 'O Heer, u bent de Allerhoogste, over wie de Veda's vertellen. U bent Vishnu zelf, de Bron van het Eeuwig Licht. Na miljoenen eeuwen wordt het heelal verwoest. Maar u zult altijd blijven bestaan. U bestuurt de hele wereld door middel van de tijd, die alles laat beginnen en eindigen. Ik buig me voor u neer. Gewone mensen zijn bang voor de dood, die als een slang toebijt. Maar nu zijn uw lotusvoeten hier op aarde. Daardoor is iedereen vrij van angst. De enige die nu bang is, is de dood! O Heer. U bevrijdt uw dienaars van vrees. Bescherm ons alstublieft voor die verschrikkelijke Kamsa. Laat die schurk toch niet merken dat u hier bent! O Ziel van alle zielen, o Opperziel. Verberg toch alstublieft uw vier armen met die knots en die schelp en die lotus! Anders ziet Kamsa dat ú het bent en valt hij u aan … O Allerhoogste, als ik eraan denk dat u het hele heelal in uw buik draagt … En dat u met dat hele heelal in uw buik nu uit míjn buik tevoorschijn bent gekomen! Alsof u een gewoon mensenkind bent! Dat kŕn toch haast niet …' Haar stem beefde van verbijstering.
Toen zei Vishnu: 'Al eerder ben ik uw zoon geweest. Dat was in andere tijden. Vader en u zaten toen in andere lichamen. Nergens ter wereld zag ik zulke goede en zuivere mensen als u. Daarom verscheen ik als úw zoon. Ik sta nu met mijn vier armen voor u, zodat u begrijpt dat ik God ben. Want zag u me als een gewoon mensenkind, hoe wist u dan: "Dat is Vishnu de Heer!" Zo dadelijk zult u me gewoon kunnen zien als uw zoon. En u zult van me kunnen houden als van uw eigen kind. En uw liefde voor mij zal u naar mijn Koninkrijk leiden. Omdat ěk het ben van wie u houdt: God Zelf.' Na die woorden zweeg Vishnu. En voor de ogen van Vasudeva en Devakî veranderde de Almachtige in een mensenkind.
Toen gebeurde er nog een wonder. De ijzeren gevangenisdeuren draaiden vanzelf open. En de boeien vielen van Vasudeva's armen af. Dat kwam door Vishnu's wonderkracht Yogamâyâ. Die was zojuist als meisje in het herdersdorp geboren. Van daaruit begon ze dadelijk te toveren.
Vasudeva nam zijn zoontje op en vluchtte ermee de nacht in. Tegelijk brak er een onweer los. Het donderde en bliksemde en de rivier de Yamunâ stond plotseling bol van de golven. Maar toen Vasudeva er met zijn jongen aankwam, weken de golven uiteen en maakten een pad. Zo werkt Vishnu's wonderkracht.
Intussen hoosde de regen omlaag. Achter Vasudeva, die zijn zoon op zijn schouders droeg, verscheen plotseling Ananta. Niet als mensenkind maar als slang. Hij spreidde zijn koppen als een scherm over vader en zoon uit, zodat de neerrazende regen hen niet doorweekte. Zo was God zichzelf van dienst. In het dorp aan de overkant lagen de herders slapend op hun rug. Vasudeva sloop het huis van herder Nanda binnen. Die wist nog niet dat zijn vrouw een dochtertje had gekregen. Het meisje was volkomen onverwacht geboren. De moeder, Yashodâ, wist zelf nog niet eens dat haar kind een meisje was! De bevalling had haar zo uitgeput dat ze de baby nog niet had kunnen bekijken …
Ongemerkt verwisselde Vasudeva de kinderen. Hij holde naar de gevangenis terug en stopte het meisje, Yogamâyâ, in Devakî's bed. Daarna deed hij zichzelf de boeien weer om, alsof hij nooit was weggeweest.
<BLOCKQUOTE>
Wie heeft er ooit zoiets gehoord?
Is dat geen schitterend verhaal?
En nog veel mooier wordt het straks.
Bij Vishnu kan dat allemaal.

Wordt vervolgd!!! Wink </BLOCKQUOTE></BLOCKQUOTE>
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op do okt 11, 2007 10:08 pm

6




De Jacht op God






Toen de kleine Yogamâyâ begon te huilen, schoten Kamsa's wachters wakker. Ze holden naar hun vreselijke meester en riepen: 'Het kind is geboren! Het kind is geboren!' De ellendeling vloog uit bed. 'Daar slaat mijn doodsuur!' schreeuwde hij. Met zijn haar in pieken om zijn hoofd ijlde hij naar de gevangenis. 'Ach, neef, spaar mijn enige kind', smeekte Devakî handenwringend. 'Kijk, het is geen jongen. Het is een meisje. Laat haar alsjeblieft in leven. Dan kan ze later trouwen met jouw zoon!'

Maar met een grauw rukte de wreedaard het kind uit haar armen. Met één vuist greep hij de beide voetjes vast en smeet het neer. In zijn verblindheid wist hij niet dat het meisje Vishnu's wonderkracht was. In plaats van omlaag vloog Yogamâyâ de lucht in. En daar, in de hoogte, veranderde ze in een godin met acht armen. In haar handen hield ze pijl en boog, knots en kinkhoorn, werpschijf en zwaard, schild en lans.

De godin riep de krankzinnige toe: 'Je hebt er niets aan om mij te doden. Want hij die jou doden zal, is al geboren! Je hoeft dus geen baby's meer te vermoorden!' Daarop zweefde Yogamâyâ heen om als godin van de hele wereld overal geëerd te worden.

Wit van schrik bevrijdde Kamsa Devakî en Vasudeva. Kermend vroeg hij hun om vergeving voor zijn gruweldaden. Tegelijk gaf hij de schuld van zijn wangedrag aan de stem uit de hemel. 'Die stem van boven loog!' zei hij. 'En doordat ik die leugen geloofde, heb ik jullie kinderen gedood.'

Daarna begon hij vroom te preken. 'Iedereen krijgt wat hem toekomt', zei hij. 'Dat wordt zo beslist in de hemel. Jullie zoons hebben gewoon hun lot ondergaan. Maar jullie weten toch dat hun zíel nog leeft? Het is net als met een kruik van klei. Als je die kapot slaat, blijft de klei over. Zo blijft de ziel altijd bestaan … Maar het is wel waar dat ěk ze gedood heb. En dat spijt me. Vergeef me alsjeblieft!'

Huilend viel hij voor zijn nicht en haar goede man neer. Hij twijfelde er niet aan of Yogamâyâ had de waarheid gesproken. Zijn vijand was al geboren en bevond zich veilig buiten zijn bereik. Haastig maakte hij hun boeien los en deed zijn best om zo aardig mogelijk tegen ze te zijn.

Zo goedhartig was Devakî dat ze de berouwvolle Kamsa toelachte. Ze zei: 'Als we God niet dienen, proberen we elkaar van alles af te pakken. Van hebzucht raken we dan in de war. Ik vergeef je wat je hebt misdaan.' Ook Vasudeva vergaf de schurk. Opgelucht liep Kamsa zijn paleis weer in.

Toen de dag aanbrak riep hij zijn raadgevers bij elkaar en vertelde hun wat Yogamâyâ hem had onthuld. 'Vishnu is geboren!' De raadgevers waren net zulke duivels als Kamsa zelf. Het waren aartsvijanden van de goden. En het waren ezels. Ze balkten: 'O vorst! Dan gaan we dadelijk achter alle pasgeboren kinderen aan. Geen god zal die baby's tegen ons kunnen beschermen. Goden stellen niks voor! Als u één pijl op ze afschiet, vliegen ze al alle kanten op. Het is een stelletje lafaards … Die Vishnu bijvoorbeeld, weet u waar die uithangt? Die verstopt zich in ieders hart! En Brahmâ, die zit stilletjes in zijn lotus te mediteren! En S'iva, die verroert zich niet! Maar hoe laf ze ook zijn, het blijven uw vijanden. Daarom roeien we ze wel even voor u uit. Geef ons bevel en we regelen dat zaakje voor u.

'Kijk, het is Vishnu die overal achter zit. Hij zit achter de goden en achter de priesters. Hij zit achter de heilige boeken - de Veda's - en hij zit achter de vuuroffers. En wat wordt er in het vuur geofferd? Boterolie! Van de koeien! Dus priesters, heilige boeken, vuuroffers, koeien enzovoort - daar zit die Vishnu allemaal in. Die zijn met hun allen zogezegd zijn lichaam. Dus als we die allemaal doden en kapot maken, is Vishnu er geweest! Dan is hij verslagen!'

Kamsa hoefde niet lang over de oerdomme raad van zijn handlangers na te denken. 'Ha, jullie priesters!' schreeuwde hij. 'Jullie wacht de dood! En jullie koeien ook!' En hij beval zijn trawanten: 'Doe ze zo veel kwaad als je maar kunt.' Hoewel Kamsa's handlangers geen verstand hadden van God, hadden ze wel verstand van toverij. Het waren stuk voor stuk machtige magiërs. Ze konden zich veranderen in allerlei dieren, zoals paarden en reigers en slangen. En tegelijk konden ze hun lichaam zo geweldig laten opzwellen dat ze de zon ermee verduisterden …

Als gekken zaten ze de dienaars van Vishnu achterna. Maar ze begrepen niet dat de dood hčn achterna zat.

Wie Vishnu's dienaars doden wil
Die is een ezel en een gek.
Hij denkt misschien: 'Wie doet me wat?'
Maar Vishnu grijpt hem in zijn nek.
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op do okt 11, 2007 10:09 pm

7




De Reuzenheks






Nanda deed zijn naam eer aan. Nanda betekent: de Blije. Hij meende dat het jongetje dat hij 's ochtends in de armen van zijn vrouw gevonden had zijn eigen pasgeboren zoon was. Blij dat hij was! Blij! Dadelijk riep hij de priesters van het herdersdorp, waarover hij de baas was, naar zijn huis. Hij gaf hun tweehonderdduizend koeien. En zeven bergen sesamzaad, bestrooid met juwelen en goud. Laten we iets over die koeien zeggen. Nanda en zijn herders hielden hun koeien alleen voor de melk. Omdat de koeien hun voedzame melk aan de mensen gaven, waren ze net moeders. Daarom werden de oude koeien nooit geslacht. Want dat doe je met je eigen moeder toch ook niet?

De dorpelingen stroomden samen voor het geboortefeest. Ze zongen en dansten en sloegen op de trom. De koeien en stieren en kalveren werden met olie ingewreven. En ze werden met kleurpoeder versierd. De herderinnen droegen hun mooiste kleren en zongen en dansten en schaterden het uit. In die tijd was er nergens honger. Er was zo veel voedsel dat de mensen gewoon niet wisten waar ze het moesten laten. De herders bekogelden elkaar met yoghurt en boter. Het kon niet op. De klodders dropen van hun tulband over hun lachende bruine gezicht.

Niemand in het hele dorp wist dat het jongetje in Nanda's huis God was: Vishnu. En niemand wist dat het andere jongetje in Nanda's huis ook God was: Ananta, de goddelijke slang. Je weet wel: Ananta was uit de buik van Devakî overgebracht in de buik van Rohinî. En Rohinî woonde bij Nanda en Yas'odâ. Omdat Vishnu in het dorp woonde, woonde Lakshmî, zijn vrouw, er ook. Want ze kan niet buiten Vishnu. Maar ze bleef onzichtbaar. En omdat Lakshmî het geluk en de rijkdom zelf is, waren alle mensen in het herdersdorp rijk en gelukkig.

Op een dag moest Nanda met zijn mannen naar de stad. Ze waren onderdanen van Kamsa. En Kamsa wilde dat ze belasting aan hem betaalden. Op hun kar reden ze naar Mathurâ. Je begrijpt dat Vasudeva, toen hij hoorde dat Nanda in de stad was aangekomen, meteen naar hem toe ging. Hij moest en zou weten hoe het met zijn jongens ging.

Hij deed net alsof hij dacht dat Vishnu Nanda's zoon was. En hij feliciteerde Nanda met de geboorte. Toen hij Nanda blij en gelukkig zag, begreep hij dat de jongens het goed maakten. Dat stelde hem gerust. Maar Vasudeva had een raar voorgevoel. 'Nanda, beste vriend', zei hij. 'Je hebt je belasting al betaald. Ga alsjeblieft dadelijk terug. Want ik geloof dat er in Gokula, dat dorp van jou, onraad is. Ga gauw!' Haastig reden de herders terug. Angstig zat Nanda op zijn kar te bidden. Hij wist niet dat Vishnu, tot wie hij bad, zijn eigen pleegzoon was. En dat het dorp dus volkomen veilig was.

Intussen was een van Kamsa's mensen in het dorp aangekomen. Het was geen man, zoals je denken zou, maar een vrouw. Of liever: een heks, die door de lucht kon vliegen. Ze heette Pűtanâ. Dat betekent zoiets als: Helleveeg. Maar zo zag ze er niet uit. Ze had zich omgetoverd in een beeldschone jonge vrouw. Zo mooi was ze dat alle vrouwen van Gokula dachten: 'Dat lijkt Lakshmî wel, de geluksgodin. Misschien is ze wel op zoek naar haar man, naar Vishnu.' Nu was Pűtanâ zéker op zoek naar Vishnu. Maar de vrouwen wisten niet dat Vishnu Yas'odâ's baby was.

Pűtanâ deed niets liever dan baby's vermoorden. Zo doodde ze op een duivelse manier. Ze smeerde haar borsten in met vergift. En dan liet ze de baby bij zich drinken… De vrouwen van Gokula hadden geen idee dat de beeldschone vrouw zo'n monster was. Pűtanâ was net een dolk in een prachtig versierde schede. Van bewondering voor die mooie schede vergeet je gewoon dat er een moordwapen in zit! Toen Pűtanâ het kind vond en het wilde oppakken hield niemand de heks tegen. En toen ze het kind de borst wilde geven, vond iedereen dat prachtig …

Yas'odâ's baby wist natuurlijk precies wat er aan de hand was. Toen Pűtanâ hem de borst gaf, begon hij gulzig te zuigen. Het vergift deed hem niets! Hij zoog en zoog en Pűtanâ begon te gillen van pijn. Maar Vishnu zoog zo hard dóór dat hij tegelijk met het vergift het leven uit Pűtanâ wegzoog. Moeder Yas'odâ en de dorpsvrouwen beefden van angst toen ze Pűtanâ zagen veranderen in het monster dat ze eigenlijk was. Brullend stortte Pűtanâ, die plotseling kilometers lang werd, op de aarde neer. Onder het gewicht van haar reuzenlijf knapten duizenden bomen als dunne takjes af.

En de baby? Die zat op Pűtanâ's reuzenborst te spelen alsof er niets aan de hand was … Gauw klommen de dorpsvrouwen op het enorme dode lijf en haalden het kind omlaag. IJverig begonnen ze God om bescherming te bidden. Ze begrepen niet dat God zichzelf al beschermd had door de heks te doden. De vrouwen wisten net zo min als hun mannen dat de baby Vishnu was en dat geen duivel hem wat doen kon.

Zoals dat onder herders ging, smeerden ze het kind in met mest. Want koemest is zuiver en beschermt. Wat gebeurde er met Pűtanâ's ziel? Die ging naar Vishnu's hemel. Waarom ging ze niet naar de hel? Omdat Pűtanâ Vishnu als een echte moeder de borst had gegeven. Maar ze was toch een valse moeder? Ja, maar dat kon God niets schelen. Hij lette niet op het valse maar op het moederlijke. Zo goed is hij, zo genadig. Als hij al zo goed was voor die duivelin Pűtanâ, die hem wilde doden, hoe goed zou hij dan wel niet zijn voor Yas'odâ en de dorpsvrouwen, die zo van hem hielden? En voor de koeien, die hem als echte moeders hun melk gaven?

Toen de herders thuiskwamen uit de stad, stonden ze stomverbaasd. Vasudeva had hen niet voor niets gewaarschuwd! Ze hakten Pűtanâ's dode reuzenlijf in stukken en staken het in brand. Denk je dat het stonk? Juist niet! Er kwam een ontzettend lekkere zoete geur van af. Het leek wel wierook. Dat kwam doordat Vishnu haar had aangeraakt. Gods aanraking had de duivelin gezegend …

Wat een geluk dat Pűtanâ
Zo mooi door Vishnu werd bevrijd!
Wie maar een béétje van hem houdt
Die gaat zó naar zijn eeuwigheid …
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op do okt 11, 2007 10:09 pm

8




De Kar en de Windhoos






Hoewel hij Koning is van het Heelal, deed Vishnu alsof hij een hulpeloos kind was. Net als een echte baby lag hij op zijn ruggetje te spartelen en geluidjes te maken. Na een poosje begon hij zijn best te doen om zich op zijn buikje te draaien. Maar steeds weer viel hij terug, zijn wangetjes rood van inspanning.

Eindelijk, op een dag, lukte het. God lag op zijn buik! Moeder Yas'odâ - haar naam betekent: zij die beroemd maakt - was natuurlijk trots als een pauw. Ze riep alle dorpsvrouwen erbij en met hun allen maakten ze er een geweldig feest van. Ook de priesters moesten komen. Want wanneer een kind zich met zo veel inspanning op zijn buikje heeft gedraaid, moet God worden geëerd! Alle kracht komt immers van hem! En wat een lekkere dingen werden er niet klaargemaakt! Yas'odâ kwam handen te kort om de dorpelingen vol te stoppen. Daarom legde ze Vishnu zo lang onder een kar op het erf.

Het was, zoals altijd in India, heel erg warm. De mensen zaten buiten te smullen. Gewoon met gekruiste benen op een lap op de grond. De kar waaronder de baby was neergelegd was volgeladen met potten en kruiken. De vrouwen liepen af en aan om de kommen van de eters uit de kruiken en potten bij te vullen. Maar er was er één op het omdraaifeest die werd overgeslagen. Die kreeg niets te eten of te drinken, terwijl hij toch een geweldige honger had. Dat was Vishnu zelf, die onder de kar begon te huilen. Maar zo druk zat iedereen om hem heen te babbelen en te lachen dat niemand er wat van merkte.

Als een echte baby begon de Almachtige met zijn tere voetjes te trappelen. En wat gebeurde? Een van zijn roze teentjes raakte een wiel van de kar. Normaal zou er van zo'n aanrakinkje niets met zo'n kar kunnen gebeuren. Maar omdat het God was wiens teentje het karrenwiel raakte, stortte de hele kar krakend in elkaar. En alle potten en kruiken aan diggelen! De baby mankeerde niets. Hij huilde wel, maar dat was nog steeds van de honger. Bleek van schrik raapte moeder Yas'odâ het mannetje op en gaf het dadelijk de borst.

De feestvierders zaten verbijsterd. Hoe kon die kar zo maar ineens in elkaar zakken! Een paar jongens, die de baby hadden zien trappelen, vertelden hun hoe het gekomen was. Maar niemand geloofde dat verhaal. Een baby die een grote kar omver schopt … De herders lapten de kar op. De priesters offerden graan en boter in een vuur, dat voor hun gevoel de mond van Vishnu was. Vader Nanda waste zijn zoontje in een kruidenbad. En weer werden er koeien cadeau gegeven.

Op een keer, toen de baby bij zijn moeder op schoot lag, werd hij zo zwaar, dat ze hem moest neerleggen. Zo liet Vishnu haar even voelen dat hij geen gewoon kind was. Hij droeg het heelal in zijn buikje! Als je daarover nadenkt, voel je dat het een wonder was dat hij zich door een gewoon mens kon laten optillen … Terwijl Vishnu op de grond lag, verscheen er in het dorp Gokula plots een wervelwind. Hij stormde op het ventje af en sleurde het mee omhoog. Zo veel zand en stof slingerde hij in het rond, dat niemand nog wat kon zien …

Verblind tastte moeder Yas'odâ in het rond. Toen ze haar kind nergens voelde, viel ze luid huilend neer. Ze leek wel een koe die haar kalfje was kwijtgeraakt. De andere vrouwen hoorden Yas'odâ jammeren en ook zij huilden het uit. De wervelwind vloog al brullend zo hoog hij kon de lucht in. En daar, helemaal in de hoogte, liet de baby weer voelen wie hij was. Zwaarder dan een rotsblok werd hij. Onder zijn gewicht begon de wervelwind in elkaar te zakken. Nu moeten we er hier eventjes bij vertellen dat de wervelwind een van Kamsa's magiërs was, die zich in een windhoos had veranderd. Vishnu wist dat natuurlijk al lang. En wat deed hij? Met zijn vingertjes zocht hij naar de keel van de duivelse tovenaar. Toen kneep hij hem keihard dicht. Dat hielp.

Het monster staakte zijn gebrul en languit viel de torenhoge wervelwind om. De rond tollende stofhoos sloeg tegen een rots aan flarden, met de baby vrolijk kraaiend erbovenop.

Oef, wat waren de herders en de herderinnen blij dat ze hun kereltje heelhuids terug hadden. Ze dankten Vishnu dat hij hun lieveling het leven had gered. Ze wisten nog steeds niet dat het kereltje Vishnu zelf was! Yas'odâ gaf de Heer de borst. Vishnu sabbelde en sabbelde. Toen hij helemaal vol zat, streek Yas'odâ met haar wijsvinger teder over zijn rode lipjes. Hij deed zijn mondje open om een boertje te laten. En daar keek zijn moeder haar ogen uit … Want in het mondje zag ze de sterren, de zon en de maan, de bergen en de bossen, de zeeën en de rivieren, ja alles wat er bestond, of het nu bewoog of niet …

De wereld in haar zoontjes mond!
Yas'odâ trilde als een blad …
Ze keek haar mooie ogen uit
En wist bij God niet hoe ze 't had
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op do okt 11, 2007 10:10 pm

9




Krishna en Balarâma







Vasudeva gaf de priester van de familie Yadu in het geheim een bijzondere opdracht. Hij vroeg hem naar het dorp van Nanda te gaan om zijn zoons een naam te geven. Wij weten wel dat de jongens Ananta en Vishnu waren. Maar de herders en hun vrouwen wisten dat niet. Ze noemden de hummels gewoon Ventje of Mannetje. Of Witje en Zwartje, want Ananta was zo blank als room en Vishnu zo donker als een regenwolk.

De priester van de familie Yadu heette Garga. Hij was een beroemde wijze, die God kende als geen ander. Hij wist dan ook precies wie de jongens waren. Vader Nanda was diep verrast toen hij de beroemde priester opeens in zijn koeiendorp zag. Met gevouwen handen viel hij voor Garga neer. 'Wat komt dat prachtig uit dat u hier bent!' riep hij uit. 'Onze kleine jongens hier hebben nog geen naam. Die kunt ú ze mooi geven!' 'Sssjt!' zei de wijze priester. Hij keek spiedend om zich heen. 'Pas op je woorden, Nanda. De bomen en struiken hebben hier oren.' Garga legde uit dat hij als priester van de familie Yadu de zoon van Rohinî gewoon zijn naam kon geven. Want Rohinî was als vrouw van Vasudeva lid van die familie. Dat wist iedereen in de stad en het dorp. Maar als hij de zoon van Nanda en Yas'odâ een naam zou geven, zou iedereen dat vreemd vinden. Want Nanda en Yas'odâ waren géén lid van de familie Yadu.

Nu denk je misschien: 'Wat is daar voor ergs aan om een naam te geven aan een kind van een familie waar je geen priester van bent? Als de vader en de moeder van het kind het willen, is het toch goed?" Dat ěs ook goed. Maar luister wat de wijze Garga zachtjes tegen Nanda zei.

'Als ik jouw zoon een naam geef, Nanda, dan denken de mensen misschien: "Is die jongen van Nanda eigenlijk wel Nanda's eigen zoon? Waarom laat Nanda de priester van de familie Yádu hem zijn naam geven? Is die jongen dan misschien niet eigenlijk een Yádu-kind?" En voor je het weet, beste Nanda, stormt Kamsa met al zijn schurken je dorp binnen! Want dan denkt die ellendeling misschien: "Die jongen van Nanda is vast de achtste zoon van Devakî! Dat is vast mijn vijand! Dood hem!" ' Garga schudde zijn grijze hoofd. 'En dan, Nanda, is je mooie dorp in last.'

'Maar kunt u hun dan niet in het geheim hun naam geven?' fluisterde Nanda. 'Laten we naar een donkere hoek van de koeienstal gaan. Dan doet u het daar!' Garga knikte hem glimlachend toe. 'Dat is precies wat ik van plan was', fluisterde hij terug. En in de stal, met moeder Yas'odâ en moeder Rohinî erbij, gaf de priester de jongens hun naam.

'De jongen van Vasudeva en Rohinî zal Râma heten', zei hij. 'Dat betekent: Vreugde. Want hij zal iedereen vreugde schenken. En hij zal ook Bala heten. Dat betekent: Kracht. Want niemand zal zo sterk zijn als hij. Daarom heet hij van nu af aan Balarâma.' Bij het horen van die schitterende naam vouwde iedereen eerbiedig zijn handen.

'En de jongen van Nanda', zei Garga, 'dat is een geval apart. Hij is al vaker in andere tijden op aarde verschenen. Eerst was hij wit. Toen rood. Daarna geel. En nu is hij bijna zwart. En ik zal het jullie nu maar vertellen.' De wijze priester sprak heel zacht. 'Hij is hier in het dorp gebracht door Vasudeva. Vasudeva is zijn eigenlijke vader. In de nacht van zijn geboorte heeft Vasudeva hem geruild voor het kind dat Yas'odâ gekregen had.'

Toen allen na die woorden een beetje van hun verbazing waren bekomen, zei Garga: 'Men ziet hem hier op aarde in vele vormen en gedaanten, waarin hij de mensen te hulp komt. Ik ken die vormen allemaal, maar gewone mensen hebben er geen idee van. 'Hij zal de oogappel van het dorp zijn. Dankzij hem zal jullie geen rŕmp overkomen. Wie van deze jongen houdt, is beschermd tegen iedere vijand. Net zoals iemand die Vishnu liefheeft voor geen duivel bang hoeft te zijn.' Garga zweeg plechtig. Toen zei hij: 'Ja, Nanda. Deze zoon van jou is geen haar minder dan Vishnu zelf. Hij is even roemrijk en even groot als God! Daarom noem ik hem Krishna. Dat betekent: Hij die iedereen tot zich aantrekt.'

Na deze woorden boog Garga voor de jongens neer. Met tranen in hun ogen zagen de herders hem terugkeren naar de stad.

Het duurde niet lang of Krishna en Balarâma begonnen op hun ronde knietjes door het dorp te kruipen. Ze droegen belletjes om hun middel en aan hun voetjes. Zo hoorden hun moeders waar ze waren. Ze kropen door de modder en de mest. Ze veranderden bijna in varkentjes. Wanneer hun moeders ze zo zagen, raakten ze helemaal vertederd. Ze tilden ze op en knuffelden ze. Het kon ze niets schelen dat de modder op hun schone kleren terecht kwam. Zo gaven ze de ventjes heerlijk de borst. Na het drinken voelden ze met hun wijsvingers in het mondje van de jongens. En die beten er dan op met hun eerste tandjes! Denk daar maar eens over na hoe grappig dat is: God en God die samen tandjes krijgen …

Vaak kwamen de buurvrouwen over de jongens mopperen. Omdat ze hun yoghurtpotten omkieperden. Omdat ze de kalfjes loslieten. Omdat ze de baby's knepen. Omdat ze zomaar op de grond plasten. Omdat ze boter op de muur smeerden.

Hoe donker het binnen bij de buren ook was, als de jongens er kwamen, werd het vanzelf licht. Het leek wel of hun sieraden licht uitstraalden. De buurvrouwen konden niets voor de twee rakkers verstoppen. Wanneer er iets te hoog voor ze was, keerden ze een stampblok ondersteboven en klommen erop. Overal konden ze bij. Alles vonden ze. Alles aten ze op. Of ze voerden het aan de apen!

Denk je dat de buurvrouwen het echt zo erg vonden? Of dat moeder Yas'odâ het erg vond? Wanneer Krishna en Balarâma beschuldigd werden, keken de jongens zo braaf dat alle vrouwen het uitschaterden.

Op een dag kwam Balarâma met een rij vriendjes naar moeder Yas'odâ. 'Krishna heeft modder gegeten, Ma!' klikte Balarâma.

Wij mogen niet klikken, maar God mag alles.

'Niet waar, Ma!' jokte Krishna.

Wij mogen ook niet jokken, maar God mag alles.

'O nee?' zei moeder Yas'odâ. 'Mondje open dan! Laat kijken!'

Gehoorzaam als een mensenkind deed Krishna zijn mondje open. En wéér zag zijn moeder daarin wat ze eerder had gezien: de sterren, de zon en de maan, de zee en de eilanden, alles wat bewoog en wat niet bewoog…

Maar dit keer zag ze er nog iets bij. In Krishna's mondje zag ze ook Krishna en Balarâma, hun vriendjes en zichzelf. Ja, in zijn mondje zag ze zelfs hoe ze in zijn mondje stond te kijken of hij klei gegeten had…

Yas'odâ begreep dat haar zoontje de Almachtige was. En met gevouwen handen knielde ze voor Krishna neer. Maar hij lachte haar zo betoverend lief toe dat ze meteen weer vergat dat hij God was. 'Mijn lieve kleine schat!' riep ze uit. Ze sloeg haar armen om hem heen en knuffelde hem bijna plat.

Wie had dat ooit van God gedacht:
Dat hij bij buurvrouw yoghurt dieft
En dat hij klikt en dat hij jokt?
En toch vindt iedereen hem lief!
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op do okt 11, 2007 10:10 pm

10




De Boterdief





Wanneer je boter wilt maken, moet je eerst een koe gaan melken. Dan moet je van de melk de room afscheppen en in een karn doen. Dat is een grote kruik met een dikke stok erin. Om het eind van de stok dat uit de karn steekt wind je een touw. Daarvan neem je in elke hand een uiteinde. Wanneer je die uiteinden heen en weer trekt, begint de stok in de karn te draaien. Door dat gedraai en gekluts verandert de room in boter. Makkelijk? Dat wel, maar ook vermoeiend hoor.

Op een dag stond moeder Yas'odâ vrolijk te karnen. Ze zong er een liedje bij dat de mensen in het dorp over Krishna zongen. Van het werken rolden de zweetdruppels over haar mooie gezicht. Haar oorhangers en sieraden dansten. En de bloemen vielen uit haar haar. Opeens stond kleine Krishna naast haar. Hij wilde bij haar drinken. Met beide handjes pakte hij de karnstok en probeerde hem stil te houden. Dat vond Yas'odâ zo leuk, dat ze haar jongen gauw de borst gaf, die al druppelde. Maar even gauw als ze Krishna had opgepakt, zette ze hem weer neer. Want ze zag dat de pap overkookte op het vuur.

Zo gauw weer neergezet, terwijl hij nog niets gedronken had … Krishna werd boos. Hij liep naar de karnpot en sloeg hem aan diggelen. Hij graaide met zijn vingertjes in de boter en propte zijn mondje vol. Toen moeder Yas'odâ terugkwam van het vuur om Krishna weer de borst te geven, vond ze de gebroken karnpot. Rondspeurend zag ze de kwajongen op een omgekeerd stampblok staan. Zo kon hij bij een plank met kruiken. Uit een van de kruiken voerde hij yoghurt aan een paar apen, die het huis waren binnen geslopen.

Yas'odâ pakte een stok. Niet om Krishna ermee te slaan, maar om ermee te dreigen. Toen hij haar met de stok zag zwaaien, schrok hij verschrikkelijk en sprong van het stampblok. Denk je dat God čcht schrok? Als hij wilde, zou hij ineens honderd armen kunnen hebben en met honderd stokken terugzwaaien! Hij hoefde voor niemand bang te zijn … Waarom deed God dan tňch alsof hij zo moest schrikken?

Krishna deed alsof hij schrok om Yas'odâ te laten geloven dat hij een echte stoute jongen was. Dat schrikken noemen we: het Spel van God. Ook het stelen van boter en yoghurt, alsof hij vreselijk honger heeft, is Gods Spel. Want God hoeft nooit te eten. Zijn lichaam is onsterfelijk. God speelt zijn Spel om heel dicht bij de mensen te kunnen zijn. Hij houdt zielsveel van iedereen. En hij wil ook graag dat iedereen zielsveel van hčm houdt. Dat kunnen de mensen alleen wanneer hij één van hen is. Of wanneer ze alleen maar dčnken dat hij één van hen is. Dan durven ze vrijuit met hem om te gaan en van hem te houden en af en toe eens lekker boos op hem te zijn. Zoals je boos kunt zijn op je beste vriend of vriendin, op wie je toch nooit čcht boos kunt worden. Omdat je zo veel van ze houdt.

Stel je voor dat God niet in Gokula woonde als het kleine ventje Krishna, maar als de grote Vishnu met zijn vier armen. Dan zouden Nanda, Yas'odâ en de andere dorpelingen de hele dag eerbiedig voor hem neerknielen. Ze zouden nauwelijks naar hem durven opkijken. Ze zouden zich zo klein als mieren voelen. God is het natuurlijk waard om aanbeden te worden. Hij is de Heer van het heelal. Maar die verering kan hem niet zo veel schelen. Hij heeft de mensen niet geschapen om door ze vereerd te worden, maar om door ze bemind te worden. Hij hoopt dat ze hem liefhebben! Dan kan hij hun in ruil zíjn liefde geven.

Dus daarom komt hij op aarde als Krishna, die zó bij je op schoot kan kruipen. Of die zulke gekke geluiden zit te maken dat je ontzettend moet lachen. Of die een hap van je taartje wil. Toen Yas'odâ dreigend haar stok naar hem ophief, holde Krishna weg. Zij erachteraan. Hij was wel klein, maar vlug als water. Zij was groot, maar ze had zware borsten en volle ronde heupen. Het was een toer om hem te pakken te krijgen. Eigenlijk kan niemand God vangen. Je kunt hem alleen vangen als hij het wil. En hij wil zich alleen laten vangen door iemand die dol op hem is.

Toen Yas'odâ hem eindelijk beet had, gooide ze de stok weg. 'Ik bind hem liever vast', dacht ze. 'Dan kan hij geen gevaarlijke dingen meer doen.' Ze trok hem aan een armpje mee om hem aan het stampblok vast te binden. Maar het touw waarmee ze dat wou doen, was één vinger tekort. Ze knoopte er een ander touw aan vast, maar ook daarna kwam ze één vinger tekort. Ze bond alle stukken touw die ze vinden kon aan elkaar, maar telkens kwam ze één vinger tekort … Dat was natuurlijk ook Spel van God. Het was Krishna's geheime toverij.

Toen de Heer zijn lieve moeder zo zag zwoegen om hem vast te binden, moest hij stilletjes lachen. Ze wilde hem vastbinden om hem te beschermen, zag hij. Ze spande zich zo verschrikkelijk in uit liefde voor hem. Dáárom zorgde hij ervoor dat het laatste stuk touw dat ze aan de rest vastbond precies lang genoeg was … Yas'odâ had God met haar liefde vastgebonden! Dat zou zelfs Brahmâ, de machtige schepper, niet kunnen doen. Zelfs Shiva, de grootste van alle goden, zou dat niet kunnen. Zo zie je dat ware, diepe liefde voor God veel sterker is dan de grootste macht van het heelal.

Het blok waaraan Krishna vastgebonden was, werd gebruikt om rijst in te stampen. Het was een groot, log ding, in de vorm van een zandloper. Krishna probeerde weg te kruipen. Maar het touw om zijn middel trok strak. Het stampblok hield hem tegen. Let nu ňp wat er gebeurde … Hoe zwaar het blok ook was, Krishna kroop ermee weg alsof het geen gewicht had. Hij sleepte het naar twee hoge bomen toe die vlak naast elkaar op Nanda's erf stonden. Over die bomen moeten we eerst wat vertellen.

Ze waren in hun vorige leven zoons van de god Kuvera geweest. Maar ze hadden zich dom gedragen. Ze waren altijd dronken en wilden steeds met een heleboel vrouwen tegelijk vrijen. Op een dag zaten ze in hun blootje achter de godinnevrouwen aan, die in een hemelrivier aan het baden waren. Ze waggelden op hun benen van de drank. Terwijl ze zingend en lallend de blote vrouwen wilden pakken, kwam net Nârada langs. De vrouwen verstopten zich haastig in de struiken. Maar de zoons van Kuvera bleven lodderig staan.

Nârada - misschien weet je dat nog - was de wijze leraar van de goden en een groot dienaar van Vishnu. Toen Nârada de godenzoons zo zag, dacht hij: 'Die twee daar hebben een lesje nodig. Kijk ze eens misbruik maken van hun hoge afkomst. En kijk ze daar nu eens dom in hun blootje staan. Nou, ik zŕl ze dom in hun blootje laten staan. Als twee bomen. Op het erf van vader Nanda … Maar na honderd godenjaren zal God zelf hen daar komen verlossen.' En vóór de godenzoons het wisten, waren ze in twee bomen veranderd. Op het erf van Nanda. Daar stonden ze honderden mensenjaren voordat Krishna door Vasudeva naar het dorp werd gebracht.

Toen Krishna de twee bomen zag, wist hij dat het de godenzoons waren. Want de woorden van de wijze Nârada waren hem welbekend. God weet toch alles? Hij dacht: 'Nârada heeft beloofd dat ik ze zal verlossen. Dan doe ik dat ook. Want de beloften van mijn dienaars zal ik altijd vervullen.' Daarop kroop kleine Krishna met het stampblok achter zich aan tussen de twee bomen door. Het blok bleef tussen de stammen haken, maar Krishna trok en trňk … En daar vielen de oude bomen donderend om.

Dadelijk kwamen er twee gouden gedaanten uit te voorschijn. Dat waren natuurlijk de godenzoons. Ze waren hun dronken kop voorgoed kwijt. Ze vouwden hun handen en dankten de Heer en Meester van het heelal, die nog steeds als een stout jongetje aan het blok zat vastgebonden. 'O God', stamelden ze. 'U bent de bron van alles wat leeft. U bent Brahman, het Eeuwige Licht, waarin u uzelf verbergt. En nu bent u hier neergedaald om alle wezens in het heelal te verlossen. O Vishnu, zijn we nu vrij?'

Glimlachend zei de kleine Krishna: 'Kijk maar eens goed naar me. Als jullie echt van me houden, zijn jullie eeuwig vrij.' Daarop liepen de zoons van Kuvera drie keer eerbiedig om het vastgebonden jongetje heen. Ze maakten de ene buiging na de andere. 'Nu mogen jullie gaan', zei Krishna. En heen zweefde het tweetal, de godenhemel in.

Al doe je nog zo dom en vals,
Maar krijg je daarvan echt berouw
En buig je dan voor Krishna neer,
Dan buigt hij vrolijk neer voor jou.

wordt vervolgd Wink
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van Lakshmi23 op za okt 13, 2007 9:21 pm

Jai Sri Krishna Balarama:)
avatar
Lakshmi23

Vrouw
Aantal berichten : 14
Leeftijd : 34
Location : Rotterdam
Points : 0
Registration date : 01-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op za aug 09, 2008 8:55 pm

11




Het Kalf en de Kraanvogel







Toen ze de bomen hoorden omdonderen, kwamen de herders geschrokken van alle kanten aangehold. 'Wat is er hier in vredesnaam aan de hand?' vroegen ze verbijsterd. Een paar kinderen zeiden dat de bomen omver waren getrokken. Door Krishna. Met het stampblok. Maar dat geloofden de herders natuurlijk niet. Ze waren in elk geval opgelucht dat Krishna nog leefde. Gauw maakte Nanda hem van het stampblok los. Hij begroef zijn neus in de zwarte lokken van zijn zoon en snoof van zaligheid.

Iedereen begon weer met Krishna te dollen. Hij zong en danste voor de herderinnen, die lachend in hun handen klapten. Of hij zwaaide als een worstelaar met zijn armpjes. Wanneer Nanda zijn sloffen nodig had, kwam Krishna ermee aandragen - op zijn hoofd!

Zo zie je hoe God de dienaar van zijn dienaars is. Hoe meer jij van hem houdt, hoe meer hij je laat zien dat hij van jou houdt. Wij kunnen nooit zo veel van hem houden als hij van ons. Dat hoef je niet erg te vinden, want God kan alles het beste. Daar is hij God voor!

Er was ook een fruitkoopvrouw die dol op Krishna was. 'Mooie lekkere mango's! Mooie lekkere mango's!' riep ze wanneer ze met haar mand vol vruchten langskwam. In die tijd betaalden de mensen elkaar nog niet met geld. Ze ruilden alles met elkaar. Dat had Krishna zijn vader en moeder ook zien doen. Toen hij de fruitkoopvrouw 'Lekkere mango's!' hoorde roepen, zocht hij gauw naar iets dat hij voor een mango kon ruilen. Hij zag de rijstbak en vulde zijn handjes met rijst. Daarmee holde hij naar buiten, naar de koopvrouw toe. Wat had hij een trek in zo'n sappige rode vrucht… Maar van opwinding verloor hij onderweg alle rijstkorrels. Met lege handen stond hij voor de koopvrouw.

Wat dacht je dat ze deed? Ze zag tranen van teleurstelling in Krishna's grote ogen. Dat vertederde haar zo, dat ze alle vruchten uit haar mand in zijn armpjes laadde. Dolgelukkig strompelde Krishna naar binnen. Vol liefde keek de koopvrouw het prachtige jongetje na. Toen pakte ze haar mand weer op om verder te gaan. Maar wat was dat ding ineens zwaar! Ja, logisch, want hij lag tot aan de rand vol met juwelen…

Zie je hoe Krishna de liefde van de fruitkoopvrouw beloonde? Ze gaf hem alles wat ze had. En in ruil daarvoor gaf hij haar meer dan ze ooit voor duizend propvolle fruitmanden zou kunnen krijgen. Intussen maakten de herders zich flink ongerust over de gevaarlijke dingen die er gebeurden. Ze zaten in een grote kring onder de bomen en praatten erover. Nanda's oudste broer Upananda was de verstandigste. 'Mannen', zei hij ernstig, 'het wordt hier te gevaarlijk voor onze jongens. Eerst die moordlustige heks. Daarna die in elkaar gezakte kar. Toen die afschuwelijke wervelwind. En nu pas weer die omgevallen bomen. Dat die onze Krishna niet hebben verpletterd, hebben we volgens mij aan Gods bescherming te danken!' Oom Upananda wist natuurlijk niet dat Krishna God zelf was, die zichzelf beschermd had …

'Ik vind dat we hier nodig weg moeten', vervolgde Upananda. 'Straks gebeurt er nog iets verschrikkelijks, dat de jongens niet overleven. Kom, laten we ons boeltje op onze karren laden. Ik weet een mooie, veilige plek. Met veel gras voor de koeien. En met een heuvel waar de lekkerste vruchten op groeien. Je hebt er ook een massa vrindâ - heilig koningskruid. Eén groot vrindâ-woud. Daarom heet het daar Vrindâvana. Kom op, laten we erheen gaan!'

'Een prachtidee!' riepen de herders eensgezind. En meteen laadden ze hun hele hebben en houden op hun karren. Zo verhuisden alle herdersfamilies uit Gokula: vrouwen, kinderen, opa's en oma's, alle koeien en kalveren, in één lange stoet. De priesters van het dorp liepen zingend mee. Toen de stoet in Vrindâvana aankwam, kreeg iedereen tranen in zijn ogen. Wat was het er ongelooflijk mooi! Krishna en Balarâma klommen dadelijk de heuvel op, die Govardhana heette. Dat betekent: Koeienvriend. Het betekent ook: Blijmaker. Ze zwommen met hun vriendjes in de rivier die langs de heuvel stroomde: de Yamunâ, die eigenlijk een godin was. Wat roken de bloemen lekker! Wat was het een paradijs!

Krishna en Balarâma &endash; God en zijn broer - waren nu zo groot dat ze op de kalfjes mochten passen in het bos. Intussen deden ze spelletjes met hun kameraden. Ze voetbalden met grote harige vruchten. Ze schoten met katapulten. Ze speelden loeiend koetje en stiertje. En ze deden net als mensenkinderen de geluiden van de dieren na. Ze brulden en piepten en jankten en sjilpten. En soms bedachten ze zelf een dierengeluid. Je begrijpt dat er heel wat afgelachen werd daar in het groen!

Toen Krishna en Balarâma op een dag al spelend de kalfjes aan het hoeden waren met hun vrienden, sloop een van Kamsa's magiërs op hen af. Hij had de vorm van een kalf aangenomen, zodat hij niet opviel. Maar Krishna, die alles ziet, had hem meteen door. Dadelijk greep de Almachtige hem bij zijn staart en een achterpoot. Zo hard slingerde hij de duivel rond, dat de ziel eruit vloog. Daarna smeet Krishna het dode beest in de kruin van een wilde appelboom. Zijn vrienden juichten en sprongen en klapten in hun handen. En de goden, die het allemaal vanuit hun hoge hemel hadden zien gebeuren, strooiden bloemblaadjes omlaag.

Vlak na het kalf kwamen de jongens een andere bondgenoot van Kamsa tegen. Die had zich door zijn toverkunst in een kraanvogel veranderd. Je weet wel: zo'n tropische reiger. Hij stond op één poot in een vijver in het bos. En hij was zo groot dat de jongens hem om zijn lange snavel eerst voor een puntige heuvel aanzagen. Maar toen die lange snavel ineens uitschoot en hun beste vriend Krishna opslokte, ja, toen begrepen ze wat een levensgevaarlijk monster het was … De herdersjongens en Balarâma verstijfden van angst. Balarâma was natuurlijk niet čcht bang. Hij wist dat Krishna niets kon overkomen. Niemand kan God immers doden of bezeren? Balarâma dééd dus alleen maar of hij bang was. Dan konden zijn vriendjes denken dat hij net als zij was. Want als ze zouden weten dat hij God was, zouden ze niet lekker vrij met hem durven spelen.

Wat deed Krishna intussen? In de bek van de reuzenkraanvogel maakte hij zich zo heet als vuur. Daar kon het nare beest niet tegen. Krijsend spuugde het God uit. Maar daarmee was de zaak niet afgelopen. Krishna greep met elke hand een snavelpunt beet. En hij trok die punten met zo'n harde ruk uit elkaar, dat het monster schreeuwend in tweeën scheurde. Knap of niet?

Toen de jongens hun kudde hadden teruggebracht naar het dorp, vertelden ze hun vader en moeder over het kalf en de kraanvogel. De herders en hun vrouwen omhelsden Krishna stijf, alsof hij uit de dood was teruggekeerd.

Al is hij nog zo groot en sterk,
Geen duivel die God deren kan.
Vliegt hij God aan - hij vindt de dood,
Als een klein mugje in een vlam.
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op za aug 09, 2008 8:56 pm

12




Agha de Gruwelslang







Krishna was heel vroeg opgestaan. Hij wilde met zijn vrienden gaan ontbijten in het groene woud. Hij blies op zijn koehoorn en van alle kanten kwamen de jongens aangelopen, met hun kalveren achter zich aan. Allemaal hadden ze hun stok en hoorn en fluit bij zich. En ook hun ontbijt, dat hun moeders in bananenblad hadden gewikkeld. Bij elkaar kwamen er honderden jongens en vele duizenden kalveren opdagen. De herdertjes dreven de dieren samen in één kudde in het malse gras. Ze hadden nog helemaal geen trek en begonnen te spelen. Ze hoefden nooit naar school. Ze hoefden niet te leren lezen, schrijven en rekenen om koeherder te kunnen worden. Dat werden ze al spelend vanzelf.

Hun moeders hadden hen thuis mooi gemaakt met goud en juwelen. In het bos versierden de jongens zichzelf extra met pauwenveren, bloemen en gekleurde bladeren. Ze zagen er allemaal als prinsen uit. In hun spel pikten ze een vriend zijn ontbijtpakketje af. Ze gooiden elkaar het pakketje toe - en de eigenaar er achteraan. Wanneer hij het bijna te pakken had, werd het verder gegooid. Op het laatst viel de jongen buiten adem neer. Lachend gaven zijn vrienden hem zijn pakketje terug.


Krishna liep dieper het woud in. Hij wilde de schoonheid ervan bewonderen. Eigenlijk bewonderde hij dan zichzelf. Want het woud was net als de hele verdere schepping door hemzelf gemaakt. En niet alleen dóór hemzelf, maar ook uit hemzelf. En voor zijn eigen genoegen. Dus hij schept alles dóór zichzelf, uít zichzelf en vóór zichzelf …

Dat geldt ook voor ons, mensen en kinderen. Wij zijn geschapen dóór Krishna, uít Krishna en vóór Krishna. Wie denkt dat hij van zichzelf is, vergist zich dus. En wie denkt dat hij alleen maar voor zichzelf kan leven, vergist zich helemaal. We kunnen alleen leven voor Krishna, voor God, die ons voor zijn eigen plezier gemaakt heeft.

Wees maar niet bang. Denk maar niet dat je geen plezier hebt als je alleen voor Krishna's plezier leeft. Want als je Krishna een plezier doet, doet hij je zo veel plezier terug dat je er bijna niet meer van bijkomt. Niemand weet zo goed als God hoe hij een ander blij moet maken …

Wanneer Krishna dieper het woud in liep om zijn eigen schepping te bewonderen, probeerden zijn vrienden hem te tikken. 'Tikkie!' 'Nee, ěk had hem al getikt!' 'Nee, ěk was eerder!'

Sommige jongens speelden fluit of zoemden met de bijen mee. Andere bliezen op hun hoorn of deden de koekoek na. Weer andere holden achter de schaduw van vliegende vogels over de grond. Nog weer andere waggelden als zwanen of stonden net zo stijf als een reiger of dansten met de bospauwen mee. Sommige herdertjes grepen aapjes bij de staart, klommen ze achterna in de bomen, trokken gekke bekken tegen ze of sprongen net als zij van tak op tak. Andere hipten achter de padden en de kikkers aan. Weer andere maakten gezichten tegen hun spiegelbeeld in het water. Of ze scholden hun eigen echo uit in een grot van de heuvel Govardhana.

Wie kan er zo vriendschappelijk omgaan met God? Wat moeten de jongens hem in vorige levens wel niet hebben gediend en liefgehad, dat ze nu zo met hem mochten dollen in het geurende bos … Er was er één die al deze vrolijkheid niet kon aanzien. Dat was de magiër Agha. Die naam betekent: Gruwel. Agha was een broer van twee magiërs, die door Krishna waren gedood: de reuzenheks en de reuzenkraanvogel. Ook Agha kon zichzelf in een reusachtig gruwelwezen veranderen. Hij had zo'n giftig karakter dat zelfs de goden bang voor hem waren. Het is dus niet zo vreemd dat hij zich in een slang veranderde.

Van plan om de dood van zijn reuzenbroer en -zuster te wreken, legde de reuzenslang zich languit neer op het bospad. Agha wist dat Krishna en zijn kameraden daar zo dadelijk langs zouden komen. Ze zouden zó in zijn muil lopen. Dan zou hij al die akelige pretmakertjes in één hap verslinden. Hij sperde zijn muil zo wijd open dat zijn neus in de wolken verdween. Hij was bijna vijftien kilometer lang. Zijn tanden leken wel bergpieken. Zijn keel was een ravijn, waarin zijn adem als een storm rondloeide. Zijn twee ogen gloeiden als enorme vuurballen. Zo lag hij daar, terwijl de herdertjes met hun kalveren lachend dichterbij kwamen.

'Hé, jongens, kijk nóu eens even! Wat ligt dáár voor een reusachtig ding? vroeg de een. 'Het lijkt wel een beest!' zei een tweede. 'Ja, een beest zo groot als een berg!' zei een derde. 'Pas maar op, straks slokt hij je nog op!' zei een vierde. 'Mij niet, hoor. Jou eerder, vetzak!' riep de een. 'En die lange brede weg hier - vinden jullie dat niet net een slangentong?' vroeg de tweede. 'Ja! En dan moet dat grote zwarte gat daarboven zijn bek zijn … Bah, wat een vieze lucht komt eruit!' zei de derde. 'Uche-uche!' deed de vierde. 'Kom op, jongens, zullen we erin gaan?' stelde de derde voor. 'Waarom niet? We hoeven nergens bang voor te zijn. We hebben Krishna toch bij ons?' riepen ze allemaal. En schaterend en handenklappend wandelde de hele stoet de gruwelslang binnen. Krishna wilde ze tegenhouden - te laat …

Maar er gebeurde niets. Agha bleef met open muil liggen. Er was er één die hij óók nog naar binnen wilde hebben voordat hij zijn kaken met een dreun zou laten dichtklappen. Je begrijpt wel wie. Daar stapte Krishna zonder aarzelen de reuzenmuil in. Dadelijk knalde die achter hem dicht … Maar in de muil liet Krishna zich meteen opzwellen. Als Agha zich groot kon maken, kon God het ook. Krishna vulde de hele keel van het monster. Naar adem snakkend kronkelde Agha door het bos. Zijn ogen ploften uit zijn kop. Blind zwiepte hij met zijn staart rijen bomen omver. Toen barstte de ziel uit zijn hart. Als een lichtbal bleef ze in de lucht hangen. Het reuzenlijf verslapte. De reuzenmuil viel open. Agha, de gruwelslang, was dood …

Toen Krishna naar buiten kwam, ging de ziel van het gedrocht in een flits in hem op. Zo werd ze voorgoed verlost van de duivel waarin ze had gewoond. Die duivel bestňnd gewoon niet meer …

Het lichaam van de gruwelslang
Bleef liggen daar en droogde uit.
Het werd een mooie tovergrot
Voor Krishna en zijn vriendenkluit.
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op za aug 09, 2008 8:56 pm

13




De Schepper Gefopt







Nu komt het mooiste verhaal van de wereld. Het gaat over de wonderbaarlijke macht van God, die groter is dan de macht van Brahmâ, de schepper. Veel mensen denken dat God geen persoon kan zijn. Dat hij alleen een grote kracht is of een zee van licht. Maar in India geloven veel mensen dat hij allebei is. Ze zeggen: 'God is čn een persoon čn een zee van licht.' Krishna zegt dat hij het hart van de lichtzee is. Zonder God is er geen licht, zou je denken. En zonder licht is er geen God. Waarom geloven veel mensen dat God geen persoon kan zijn? Ze zeggen: 'Een persoon is maar iets kleins. En hij ziet er maar op één bepaalde manier uit … Terwijl God juist gróót moet zijn. En er niet alleen maar op één bepaalde manier kan uitzien. Want God is grenzeloos.' Dat laatste is natuurlijk waar. En dit verhaal, dat we nu vertellen, laat zien dat God juist als persoon grenzeloos is. Luister goed.

Nadat het slangenmonster Agha was gedood, duurde het een jáár voordat de dorpelingen van de geschiedenis hoorden. Hoe kon dat? Je zou toch denken dat de jongens hun mond vol hadden over dat grote avontuur? We zullen het je uitleggen.

Toen Agha's ziel in Krishna's lichaam was opgegaan, strooiden de goden bloemblaadjes omlaag. Ook Brahmâ de schepper. Brahmâ was heel verwonderd. Hij vroeg zich af wie dat koeherdertje Krishna eigenlijk was. Hij herinnerde zich niet dat hij hem ooit geschapen had. Als die kleine onbekende jongen zo'n reusactige slang kon doden, moest hij een bijzonder wezen zijn. Wie was die Krishna precies?

We hebben al eerder verteld dat de schepper vier hoofden bezit. Om alles in het heelal te scheppen heeft hij zo veel verstand nodig dat één hoofd het niet allemaal kan bevatten. Maar met al zijn hoofden begreep hij niet wie Krishna was.

Brahmâ bedacht een plan om erachter te komen. Hij wilde de macht van het herdertje op de proef stellen. Hij wachtte tot Krishna en zijn vrienden aan de oever van de Yamunâ waren gaan zitten om hun van huis meegenomen ontbijt op te eten. En daar zaten de jongens allemaal om Krishna heen. Hij leek het hart van een grote lotusbloem en zij leken de blaadjes. Het mooie was dat elke jongen dacht dat Krishna alleen naar hčm keek en alleen met hčm praatte. Hoewel ze in een kring om hem heen zaten, zag niet één jongen Krishna's rug. Allemaal zagen ze alleen zijn betoverend mooie gezicht. Daaraan alleen al kun je zien dat God een heel bijzondere persoon is.

Opeens riep een van de herdertjes: 'Hé, jongens, waar zijn onze kalveren gebleven? Ik zie ze nergens meer!' Verschrikt sprong iedereen overeind. Maar Krishna riep: 'Blijf zitten allemaal! Gaan jullie maar lekker eten. Ik zal de beesten wel even opzoeken. Ik ben zo weer terug!' En met het rijstballetje dat hij in zijn mond had willen stoppen nog in de hand, verdween God tussen de geurende struiken. Hij wist waar de kalveren waren. Hij wist dat Brahmâ ze had verstopt. Maar om de machtige schepper te laten denken dat hij een gewoon mensenkind was, deed Krishna net of hij ijverig liep te zoeken.

Terwijl Krishna dus zogenaamd naar de kalveren zocht, ontvoerde Brahmâ achter zijn rug alle herdertjes. Ook dŕt wist de alwetende Krishna. Hij moest er een beetje om lachen. Brahmâ probeerde hem te foppen, maar nu zou God eens laten zien hoe hij de schepper foppen kon. Terwijl Brahmâ de jongens verstopte, deed Krishna het grootste wonder van de wereld. Hij veranderde zich in honderden herdertjes en vele duizenden kalveren. De herdertjes en de kalveren zagen er precies zo uit als de jongens en de beesten die Brahmâ had weggehaald. Ze hadden precies dezelfde neuzen, ogen en kleren en dezelfde snuiten en staarten. Ze lachten en babbelden precies hetzelfde en graasden en snoven precies hetzelfde. Maar ze waren allemaal Krishna. Krishna zelf wandelde er als Krishna achteraan.

De hele dag hoedde Krishna met deze Krishna-vrienden deze Krishna-kalveren. Toen de zon begon onder te gaan, kwam hij met alle vrienden en kalveren thuis in Vrindâvana. Dacht je nu dat de vaders en moeders van de jongens vreemd opkeken? Of dat de koeien de kalveren niet herkenden? Dat had je dan verkeerd gedacht! De vaders en moeders omhelsden de jongens alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Ze dachten echt dat het hun eigen lieve zoons waren. Ze hadden alleen het gevoel dat ze ontzettend veel meer van ze hielden dan anders. Ze hielden opeens evengoed van ze als van Krishna. Dat vonden ze geweldig!

Een jaar speelde Krishna zo voor makkers en kalveren. Elke dag trok hij met de hele meute naar het bos. En elke avond kwam hij met de hele meute in een stofwolk weer het dorp in. Daar omhelsden alle vaders en moeders hun Krishna-zoons weer en likten alle koeien hun Krishna-kalveren.

Wie van de kleine Krishna hoort
Hoe hij de slang te grazen nam
En vlak daarna de schepper ook,
Die raakt voor hem in vuur en vlam.
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van $H@KTI op za aug 09, 2008 8:57 pm

14




Ezels in de Lucht







Nu toen Krishna en broer Balarâma wat groter werden, kregen ze de taak om voor de grote koeien te zorgen. Met hun vrienden en alle koeien van Vrindâvana zwierven ze door het geurige woud. Hun goddelijke voeten maakten de bosgrond heilig. Al voortwandelend speelde Krishna op zijn fluit. Overal rondom babbelden de apen, sjilpten de vogels en gonsden de bijen.

Krishna zag hoe bomen vol bloeiende bloemen hun takken lieten neerbuigen voor Balarâma. Lachend zei hij tegen zijn grote broer: 'Kijk toch eens, God, wat die bomen doen. Ze raken eerbiedig je lotusvoeten aan. Ze offeren je hun bloemen en vruchten. Het lijkt wel of de ziel, die al eeuwen in die bomen gevangen zit, ernaar snakt om door jou bevrijd te worden. En de bijen hier aanbidden je met hun gezoem. In een vorig leven waren het grote heiligen, die ernaar verlangden om vlak bij je te mogen zijn. En kijk de pauwen eens - ze dansen van geluk dat ze je met hun eigen ogen mogen zien. En de nachtegalen en koekoeken zingen voor je.'

Verrukt genoot Krishna met zijn vrienden van het mooie Vrindâvana. Wanneer de bijen in een honingdronken zwerm om hem heen gonsden, dan gonsde hij mee. Gakte er een gans, dan gakte hij terug. Hij deed de kreten na van de patrijs en de leeuwerik. En soms schreeuwde hij als een klein dier dat van een tijger schrikt. Dwaalde er een koe af, dan maakte hij zijn stem zo diep als de donder en riep haar bij haar naam.

Soms werd Balarâma moe van het vele lopen. Dan legde hij zijn hoofd bij een makker op schoot. En dan masseerden Krishna's donkere handen zijn blanke voeten. Vraag je: 'Hoe kan God nu moe worden? Hij heeft toch alle kracht van de wereld? Hij is toch de Allersterkste?' Dan moeten we zeggen: 'Zo is het.' Maar dan zeggen we erbij: 'Hij spéélde dat hij moe was, zoals zijn vrienden af en toe ook moe waren. Want als híj nooit eens moe werd, zouden ze begrijpen dat hij een hoger wezen was. Dan zouden ze niet meer vrij als vrienden met hem durven omgaan.' Een andere keer was het Krishna die zogenaamd moe was en zijn voeten liet wrijven.

Op een dag stapten drie van hun vrienden op Krishna en Balarâma af. Ze heetten Subala, Stokakrishna en S'rîdâmâ. Die namen betekenen zoveel als Krachtpatser, Zwartje en Geluksvogel. De jongens begonnen tegen God en zijn broer te praten over een bos vol waaierpalmen in de buurt. Er vielen uit die palmen al maar lekkere noten omlaag. Maar niemand durfde ze te rapen. Want er liep een monsterachtige ezel rond, die deed alsof ze van hem waren. Maar hij at er zelf niet één van op. Ezels lusten alleen gras en distels.

De jongens wisten niet dat de ezel de zoveelste handlanger van Kamsa was. De drie vrienden zeiden: 'En dat kwade ezelmonster is daar niet alléén! Er loopt een hele kluit ezels achter hem aan! Niemand durft dat bos meer in. Geen koe komt er nog grazen. Geen vogel durft erin een besje te pikken. 'Niemand heeft ooit zo'n waaierpalmnoot geproefd. Ze liggen daar maar lekker te ruiken op de grond. Ruiken jullie ze niet, Krishna? Balarâma? De geur drijft helemaal hiernaartoe. We worden er bijna gek van. Alsjeblieft, Krishna, we hebben zo'n trek in die noten. Toe, Balarâma, het water loopt ervan door onze mond.'

Het lijkt misschien vreemd dat de vrienden om die noten vroegen voor zichzčlf in plaats van voor Krishna en Balarâma. Want goede vrienden némen niet maar géven. Maar dat zit zo. Krishna en Balarâma zijn de grootste vrienden van de hele wereld. Ze willen zelf altijd graag geven. Daarom gaven ze Subala, Stokakrishna en S'rîdâmâ eerst honger. Toen gaven ze hun de noten. En tóen gaven ze hun het plezier van het lekker eten… Nu is de vraag: hóe zorgden Krishna en Balarâma ervoor dat hun kameraden de waaierpalmnoten kregen? Hou je van knokken? Of kijk je er liever naar? Hou je vast …

Rustig stapten Krishna en zijn grote broer het notenbos in, met hun vrienden achter zich aan. Tussen de palmen begon Balarâma zijn naam eer aan te doen: Hij die iedereen blij maakt door zijn kracht. Als een jonge olifant bonkte hij tegen de boomstammen aan. Links en rechts ploften de noten in het gras. De grond trilde ervan.

Bij het horen van het lawaai dook dadelijk het ezelmonster op. Het galoppeerde op Balarâma af, maakte vlak vóór hem een glijdende halve draai en knalde met zijn achterhoeven tegen Gods onoverwinnelijke borst. Daarna rende het onder luid gebalk een paar rondjes, telkens omkijkend of zijn vijand zou omvallen.

Maar Balarâma bleef recht overeind en lachte de ezel toe. Dat maakte het beest zo woest dat het nňg een keer de truc met de glijdende halve draai deed. Weer ramden zijn achterhoeven Gods borst.

Nu vond Balarâma het welletjes. Hij nam de hoeven in een ijzeren greep en slingerde het monster boven zijn hoofd als een molentje in het rond. Zo hard dat de ziel eruit vloog! Daarna smeet hij het zielloze lichaam hoog in een palm. Die knapte om en viel tegen een andere palm. En die viel weer tegen een andere, die ook afknapte. Het leek wel of er een orkaan door het bos raasde.

Eerlijk gezegd: voor Balarâma was het niets bijzonders. Hij is immers Ananta, de oerslang, aan Vishnu gelijk. Op zijn honderden koppen draagt hij het hele heelal. Daarvoor is heel wat meer kracht nodig dan voor het wegsmijten van een lawaaierig monster.

Zodra de ziel van de dolle ezel verlost was, stormden de andere ezels op de beide broers af. Allemaal probeerden ze de truc met de glijdende halve draai. Maar één voor één werden ze bij de achterhoeven gepakt, als molentjes rondgeslingerd en in de boomkruinen gesmeten. Het bos lag bezaaid met noten en dode ezels.

Zo werden de zielen bevrijd uit de ondieren waarin ze gevangen zaten. Hun dood was dus geen ramp voor ze, maar juist een zegen. Tevreden strooiden de goden bloemblaadjes naar beneden. En Subala, S'rîdâmâ en de andere jonge koeherders doken juichend op de noten af.

Zo dwalen Krishna en zijn broer
Door 't groene woud van Vrindâvan
Geen monster dat hen aanvliegt of
Ze hakken 't lachend in de pan


Wordt vervolgd Wink
avatar
$H@KTI

Man
Aantal berichten : 1034
Leeftijd : 34
Location : tussen hemel en aarde
Points : 167
Registration date : 07-10-07

Terug naar boven Ga naar beneden

Re: De Wonderbaarlijke Avonturen van Krishna en Balarâma

Bericht van Gesponsorde inhoud


Gesponsorde inhoud


Terug naar boven Ga naar beneden

Terug naar boven


 
Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum